In de puinhopen zoek ik een verklaring

– de eerste steen van het bestaan, hoe

muren groeiden, het onverdraaglijk dak.

Er heeft een vreemde man gewoond,

weet ik, met een slag in zijn haar en

een slag om de armen; hij brak zijn hart

en spalkte het – hij brak en spalkte steeds

opnieuw, hij knipte zijn haar heel kort.

Zoals dit huis, te makkelijk verslagen;

wie hier bleef, bleef te lang.

De mannen die er woonden schudden

leem van hun voeten en as uit hun haar,

tabakgruis van hun broek. Ze laten

verhalen achter in het puin, van toen en

toen naar dan en daar, ze trokken altijd

aan thuis voorbij. De stenen heb ik geteld

– geteld, gewogen en te zwaar bevonden.

Dit huis kon hun gewicht niet aan.

de straatdichter

Decennia lang is Het Moederhuis op de De la Reyweg 522 een vertrouwd en warm onderkomen, eerst alleen voor thuisloze mannen, later ook voor vrouwen. Een begrip in Den Haag, ‘het paleis van de daklozen’. Het gebouw heeft een mensenleven meegemaakt, van 1923 tot 2009, en is oud geworden, zesentachtig jaar. Het Moederhuis, het pand waaraan de Kessler Stichting is ontsprongen, ziet er in 2009 uit alsof het meer zorg en bescherming nodig heeft dan het daklozen kan bieden. Voor cosmetische ingrepen, nieuwe stuc- en verflagen en kozijnen, is het te laat. De balken in de nok kunnen het dak nog nauwelijks dragen en schimmel dringt hardnekkig overal doorheen. Het Moederhuis gaat de weg van veel panden in de wijk Transvaal: sloop om plaats te maken voor nieuwbouw. Alle stenen moeten worden ver­vangen, de gangen, de eet- en woonkamers en bovenal de kamers voor de bewoners. Niet alleen omdat het pand in een slechte staat van onderhoud verkeert, ook omdat het niet meer voldoet aan de eisen van de tijd.

Mevrouw Sevenants

Mevrouw Sevenants (72) is aanwezig en dat beperkt zich niet tot de afdeling Zorg & Wonen. Ze rekent ook de gang op de begane grond van de De la Reyweg 522 en de stoep voor het pand als haar domein. Ze praat hard: “Goedemorgen, goedemorgen!? We zullen nog wel eens zien of dit een goede morgen wordt!” Ze is degene die haar groette al meters voorbij, ze staat met haar rollator niet stil voor een praatje als ze onderweg naar buiten is, maar gehoord wordt ze. Wie haar niet kent, denkt allicht ‘wat een schreeuwlelijk’. Die heeft het dan mis. Een praatje wordt door mevrouw Sevenants gewaardeerd, als het haar uitkomt. Ze rookt graag, dwangmatig en ongezond veel vinden de begeleiders, dus staat ze op rantsoen. Wie haar voorraadje stiekem aanvult met shagjes of sigaretten wordt uitbundig bedankt en krijgt er welgemeende complimenten voor uiter­lijk en kleding bij. Maar je krijgt haar niet aan de praat over wie ze was en wat ze deed voor ze bij de ­Kessler Stichting kwam. Herhaal vragen daarover en ze laat je weten dat het bezoek lang genoeg heeft geduurd. “U mag nu wel weer gaan, hoor, en nog heel erg bedankt.”

Misschien vindt mevrouw Sevenants het leven bij Zorg & Wonen wat beperkt. “Het leven is meer dan je ’s ochtends aankleden”, zegt ze. Maar misschien vindt ze haar activiteiten ook genoeg: roken, de wandeling door de gang, naar buiten. Aan de overkant van de weg is de supermarktmet blikjes bier en ze laat er graag eentje voor haar halen. Tijdens de sloop van Het Moederhuis en het neerzetten van een nieuw gebouw is ze weg uit haar vertrouwde omgeving. Dan woont ze tij­delijk in een drukker en onveiliger deel van de stad, bij station Hollands Spoor. Op haar nieuwe kamer mag ze roken. Dan heeft ze wel iemand nodig die haar daar regelmatig uithaalt en met haar gaat wandelen.

Ruud Nijland

Als kunsthandelaar verdient Ruud Nijland (60) miljoenen, maar uiterlijk vertoon is hem vreemd. Of deze schamel uitziende man zijn bod wel kan waarmaken, wil de veilingmeester van Sotheby’s in Londen weten, waarop Ruud uit elke borst- en broekzak dikke pakketjes met briefjes van honderd haalt. Money talks. Na de scheiding van zijn vrouw gaan de zaken alleen nog maar beter.

Zijn jeugd in Amsterdam is niet vrolijk. Thuis is er vaak ruzie en zijn vader slaat er op los. De achtjarige Ruud schuilt in het nabijgelegen Rijksmuseum, waar hij het personeel en de kunst leert kennen. Het licht van Rembrandt verzacht zijn blauwe plekken. Der Küss van Gustav Klimt treft hem recht in zijn ziel, instinctief weet hij: deze kus is anders dan alle anderen. Als hij later met vrouw en kind in Voorburg woont en de huur moet worden betaald, verkoopt hij zijn eerste schilderij voor vijfentwintighonderd gulden. Hij betaalde er honderdnegentig voor. Hier maak ik mijn beroep van, besluit hij, en de rest is ­geschiedenis.

Uiteindelijk verspeelt Ruud alles. Details hierover wil hij beslist nergens teruglezen: “Ik ben er niet trots op.” De grote filosofen leren hem dat rijkdom van binnen zit, zelfverwezenlijking, daar gaat het om. Een ­enkele antiquair weet Ruud nog steeds te vinden en een advies levert hem altijd iets op. Niemand weet meer van ­Jugendstil dan hij. Af en toe gaat Ruud ook nog wel eens naar het museum, maar veel plezier beleeft hij er niet meer aan. Zijn ogen zijn door diabetes aangetast.

Arnold Cabaret

Voor je zijn kamer mag betreden, wil hij eerst een paar minuten met zijn luchtverfrisser spuiten. Arnold Cabaret (52) is ongeneeslijk ziek. Hij heeft een stoma en schaamt zich voor de gassen die voortdurend vrijkomen. “Ik moet mijn stoma in een steriele omgeving verschonen, maar die is hier niet. Zie je de brandplekken in de vloer en de afbladderende verf?” Arnold raakt ook niet graag dingen aan waar anderen hebben aangezeten. Hij zit het liefst alleen, zijn autootjes te boenen met echte boenwas. Af en toe dommelt hij weg.Niemand mag aan zijn kleine oldtimers komen.

In de jaren tachtig scheurt Arnold met zijn broer door de Verenigde Staten in échte Amerikaanse sleeën. Ze zijn allebei autofanaten. Arnold werkt als bedrijfsleider in een autozaak in de Haagse Populierstraat. Simca’s verkopen ze. Dertig jaar later zijn de enige wielen die hem voortbewegen de wielen van zijn rolstoel.

Bij Zorg & Wonen krijgt Arnold nog wel eens jaloerse blikken. Vroeger vanwege een oud recht: als één van de bewoners die al lang bij Zorg & Wonen verblijven mocht hij zijn fiets binnenzetten. Nu omdat hij zoveel mooie spullen heeft. Hij verzamelt naast autootjes ook beeldjes van dieren en pennen, en hij heeft een orgel op zijn kamer. Hij speelt graag psalmen, hij komt uit een gereformeerd nest. Arnold heeft al zijn geld weggedronken. “Ik kan niet tegen eenzaamheid.”

Soms wordt het hem allemaal even teveel. Als hij net zijn stoma heeft geleegd en vijf minuten later weer helemaal onder zit. Vijf keer per nacht moet de verpleging hem helpen zijn stoma te ontluchten. “Het is zo’n uitzichtloze zaak.”

(Arnold Cabaret is in het voorjaar van 2008 overleden.)

Clazina Maria Theresia Victoria Rappert-Otten

Clazina Maria Theresia Victoria Rappert-Otten (65) schittert in haar eigen verhaal. Op een gewone dag draagt ze minstens acht halskettingen, vijf riemen, twee horloges, zes rinkelende armbanden en drie kleurige sjaals. Opgestoken haar staat leuk en is handig met schoonmaken. Dage­lijks gaat ze met de stofdoek door de gezamenlijke huis­kamer. Haar kunstgebit met gouden tanden heeft ze veilig weggestopt. “Ik vertrouw het hier niet helemaal.” Speciaal voor de foto doet ze nog snel wat rode lippenstift op en ze poseert geduldig voor de camera. Clazina houdt van haken, breien en borduren. Dat doet ze elke dag. Ze maakt motieven uit de natuur: bloemen, dieren en vogels. Buiten komt ze nauwelijks, liever zit ze in de gemeenschappe­lijke woonkamer. Daar is het gezellig. Een beetje televisie kijk­en, dutten, en een babbeltje met de andere ­bewoners. In haar handtas heeft Clazina een fotootje van haar ­moe­der, de koningin van Zweden, en nu ze het er toch over heeft: weten we wel dat ze een hertogin is? Haar verblijf bij de Kessler Stichting is slechts tijdelijk, zegt ze. “Mijn man en ik hebben verschillende huizen in Den Haag, onder meer op het Westeinde en de Brouwersgracht. Ik ben nu even hier omdat ik in veiligheid moest worden gebracht nadat één van onze panden is beschoten.” Na de verhuizing hoeft er van Clazina niets te veranderen. “Het leven is hier goed.”

Tekst: Elke Swart – Fotografie: Eric Kampherbeek

Slechts fragmenten uit het boek zijn hierboven weergegeven